Geld en een stabiele samenleving

Geld en een stabiele samenleving

Gastcolumn door: Heiko de Boer

Geld en de manier waarop geld gecreëerd wordt hebben een enorme invloed op onze samenleving.

Wij leven en werken samen, om er met zijn allen beter van te worden. Samen kan je meer dan alleen. In een samenleving kan iedereen bijdragen en waarde toevoegen, uitzonderingen zoals arbeidsongeschiktheid daargelaten. Je kan altijd iets voor de samenleving betekenen, net zoals ieder land in de wereld kan bijdragen onder het systeem van vrije handel. Als je bijdraagt aan de samenleving, maar niet profiteert van die samenleving, dan zal je ontevreden zijn over de maatschappij waarin je werkt en leeft.

Een samenleving zou profiteren als de koopkracht van iedereen in de samenleving toeneemt. Dit gebeurt bijvoorbeeld als prijzen dalen, iets wat economen ‘deflatie’ noemen. Als prijzen dalen kan je met je geld en eenzelfde salaris immers meer kopen. De koopkracht verbetert. Als er geen geldgroei is, krijg je waarschijnlijk deflatie. Door samen te werken aan datgene waar de samenleving behoeft aan heeft, zullen de prijzen van die goederen waarschijnlijk dalen. De samenleving profiteert dan van het samenleven en samenwerken. Prijsdalingen zijn als het ware de winst van de samenleving.

Het monetaire beleid schrijft echter voor dat goederen over de gehele linie duurder moeten worden en wel met gemiddeld bijna 2% per jaar. Zonder deze absolute prijsstijging is er schijnbaar geen economische stabiliteit en vooruitgang. De Europese Centrale Bank (ECB) vindt dat dit beleid op korte termijn positief is voor de economie. De economie en de mensen moeten worden gestimuleerd, zodat de economie op de lange termijn zich positief ontwikkelt.

Zo een beleid is niet gebaseerd op duurzame principes. De nadruk ligt op kwantiteit, op meer productie en meer consumptie, in plaats van kwaliteit en een duurzame samenleving. Het beleid is gebaseerd op de verkeerde aanname dat deflatie leidt tot een neerwaartse economische spiraal, waarbij consumenten hun aankopen uitstellen in afwachting van nog lagere prijzen. Bij een grotere koopkracht zullen mensen juist geneigd zijn meer te spenderen. Ook uit onderzoek van de Bank of International Settlements (BIS, ‘The costs of deflations, an historical perspective, 2015’) blijkt geen overtuigend bewijs dat deflatie negatieve economische gevolgen heeft.

Een groot nadeel van het ECB- beleid is dat de winst van de samenleving in ieder geval deels wordt afgenomen. Om ervoor te zorgen dat prijzen alsmaar blijven stijgen creëren banken en centrale banken geld. De geldhoeveelheid neemt telkens toe, waardoor de koopkracht van geld telkens afneemt. Meer geld betekent namelijk hogere prijzen. Nu is het uiteraard prima als de lonen, pensioenen en uitkeringen ieder jaar meer stijgen dan de prijzen. Dan heeft iedereen alsnog koopkracht verbetering. In de praktijk gebeurt dit echter niet of veel te weinig. Er zijn 2 belangrijke redenen.

  1. Het ECB-beleid heeft niet op alle prijzen een zelfde effect. Sommige prijzen gaan meer omhoog dan andere prijzen. Huizenprijzen zijn bijvoorbeeld harder gestegen dan voedselprijzen de laatste jaren. Een stimulerend beleid leidt op korte termijn wellicht tot een hogere economische groei, deze wordt echter veelal gevolgd door een correctie en economische neergang. Per saldo schiet je dan weinig op met zo een beleid.
  2. Een ander gevolg is een welvaartsverschuiving naar diegenen die het beste om kunnen gaan met het nieuwe geld. Geld wordt effectief gecreëerd in de vorm van schuld. De mensen die het eenvoudigst een lening kunnen krijgen profiteren. Dit zijn in het algemeen de meer welvarende mensen en overheden zelf. Mensen die moeilijker een lening kunnen krijgen, of denken geen lening nodig te hebben, profiteren niet, maar ervaren wel de nadelen van de hogere prijzen. Starters op de huizenmarkt die geen hypotheek kunnen krijgen zijn een treffend voorbeeld.

De afgelopen tientallen jaren hebben de geldpersen op volle toeren gedraaid. Al met al is de koopkracht van de samenleving er niet genoeg op vooruit gegaan. Hoe meer geld er wordt gecreëerd, hoe groter het effect van welvaartsverschuiving is. Dit is een belangrijke verklaring voor de observatie van Pikkety dat de kloof tussen rijk en arm groter is geworden.

Prijzen zouden tot stand moeten komen door het handelen van mensen. Wij mensen maken keuzes in het leven door onze doelstellingen en voorkeuren te rangschikken. Hoe hoger de rangschikking, hoe gelukkiger wij zijn als dit doel is bereikt. Prijzen hebben een signaalfunctie en zijn een middel binnen een samenleving om te bepalen wat jij zou kunnen doen voor andere mensen en hoe anderen jou kunnen helpen bij het realiseren van je doelen. Prijzen van nu veranderen echter niet alleen door veranderende voorkeuren en vraag en aanbod, maar ook door het beleid van de ECB.

Hierdoor draagt het beleid van centrale banken negatief bij aan een stabiele samenleving, waarin iedereen ten volle zou moeten profiteren van het samenleven en samenwerken. De winst van de samenleving wordt beperkt en dan herverdeeld, de samenleving raakt verdeeld en zoekt de schuld bij bijvoorbeeld bankiers, robots en of immigranten. De economische onvrede geeft spanningen en voedt populistische tendensen. Waarom nog samenwerken in deze brede samenleving als het niet loont voor eenieder?

Een beleid gericht op koopkrachtverdeling zou beter zijn dan een beleid gericht op het duurder maken van producten. Welvaart gaat niet alleen over consumeren van producten, maar ook over een duurzame samenleving. Het eenvoudigweg accepteren van de voordelen van dalende prijzen zou beter bijdragen aan een toenemende welvaart en een duurzame en stabiele samenleving.

 

Geef een reactie